De meeste Nederlandse huishoudens krijgen in 2027 naar verwachting iets minder te besteden. Voor gepensioneerden ziet het beeld er opvallend genoeg gunstiger uit. Volgens de nieuwste raming van het Centraal Planbureau stijgt hun koopkracht gemiddeld met 0,5 procent.
Dat klinkt als goed nieuws. Toch betekent het niet dat iedere AOW’er volgend jaar meer financiële ruimte krijgt. Het gemiddelde wordt mede beïnvloed door hogere aanvullende pensioenen. Wie alleen AOW ontvangt, hoge vaste lasten heeft of nog wacht op de overstap van het pensioenfonds, kan in de eigen portemonnee weinig van de berekende vooruitgang merken.
Let op: dit zijn voorlopige verwachtingen bij ongewijzigd beleid. Op Prinsjesdag, 15 september 2026, presenteert het kabinet de plannen voor 2027. Belastingen, toeslagen en andere maatregelen kunnen het koopkrachtbeeld daarna nog veranderen.
De belangrijkste cijfers voor 2027
Het CPB verwacht voor het doorsnee Nederlandse huishouden een koopkrachtdaling van 0,3 procent. Werkenden en uitkeringsgerechtigden gaan in de raming gemiddeld 0,4 procent achteruit. Gepensioneerden vormen met een gemiddelde plus van 0,5 procent de uitzondering.
Groep | Verwachte koopkracht in 2027 |
|---|---|
Alle huishoudens | Gemiddeld 0,3% achteruit |
Werkenden | Gemiddeld 0,4% achteruit |
Uitkeringsgerechtigden | Gemiddeld 0,4% achteruit |
Gepensioneerden | Gemiddeld 0,5% vooruit |
Een koopkrachtstijging van 0,5 procent is geen bedrag dat automatisch op uw rekening wordt gestort. Het cijfer geeft aan hoeveel goederen en diensten een gemiddeld gepensioneerd huishouden naar verwachting kan betalen nadat veranderingen in inkomen, belastingen en prijzen zijn meegerekend.
Bij een besteedbaar inkomen van €2.000 per maand staat 0,5 procent rekenkundig gelijk aan ongeveer €10. Dat is alleen een eenvoudige illustratie. Uw persoonlijke koopkracht kan hoger of lager uitvallen en hoeft niet precies met dat bedrag te veranderen.
Waarom gaan gepensioneerden gemiddeld vooruit?
Een belangrijke verklaring ligt bij het vernieuwde pensioenstelsel. Pensioenfondsen stappen uiterlijk op 1 januari 2028 over. Bij fondsen die de overgang al hebben gemaakt, zijn veel pensioenuitkeringen verhoogd.
In het nieuwe stelsel hoeven fondsen minder grote algemene buffers aan te houden. Een deel van het vrijgekomen vermogen kan bij de overgang over de deelnemers worden verdeeld. Ook kunnen pensioenuitkeringen sneller omhooggaan wanneer de beleggingen goed presteren. Daar staat tegenover dat pensioenresultaten sterker kunnen meebewegen met de financiële markten, al gebruiken fondsen reserves om grote schommelingen voor gepensioneerden te beperken.
De pensioenregelingen die in 2025 overgingen, werden volgens de Rijksoverheid bij de overgang gemiddeld structureel met 14 procent verhoogd. Voor ruim één miljoen gepensioneerden die begin 2026 overstapten, liepen de voorlopige verhogingen per fonds sterk uiteen. Zulke verhogingen van aanvullende pensioenen trekken de gemiddelde koopkracht van de totale groep gepensioneerden omhoog.
Dat betekent niet dat ieder pensioenfonds dezelfde verhoging geeft. Het resultaat hangt af van de financiële positie van het fonds, de gekozen regeling, de aanwezige buffers en soms ook van de leeftijd van de deelnemer.
AOW en aanvullend pensioen zijn niet hetzelfde
De termen AOW’er en gepensioneerde worden vaak door elkaar gebruikt, maar financieel is er een belangrijk verschil.
- AOW is het basispensioen van de overheid. De hoogte hangt onder meer af van uw woonsituatie en van het aantal jaren dat u verzekerd bent geweest.
- Aanvullend pensioen is pensioen dat u via één of meer werkgevers heeft opgebouwd.
- Particulier pensioen of lijfrente is inkomen dat u zelf heeft opgebouwd bij een verzekeraar, bank of beleggingsinstelling.
Wie alleen AOW ontvangt, profiteert niet rechtstreeks van een verhoging bij een pensioenfonds. De AOW beweegt mee met het wettelijk minimumloon en wordt twee keer per jaar aangepast. De definitieve AOW-bedragen voor 2027 zijn op dit moment nog niet bekend.
Vanaf 1 juli 2026 ontvangt een alleenstaande met een volledige AOW en loonheffingskorting €1.581,55 netto per maand. Voor iemand die getrouwd is of samenwoont, is dat €1.084,13 netto per persoon. Dit zijn de huidige bedragen. Ze zeggen nog niets over wat u in 2027 netto krijgt.
Waarom de plus niet voor iedereen hetzelfde uitpakt
Uw situatie | Wat kan dit betekenen? |
|---|---|
U ontvangt alleen AOW | U profiteert niet rechtstreeks van hogere pensioenfondsuitkeringen. De ontwikkeling van de AOW, belastingen, toeslagen en prijzen bepaalt uw koopkracht. |
U ontvangt AOW en een klein pensioen | Een pensioenverhoging kan helpen, maar het effect op uw totale inkomen blijft mogelijk beperkt. |
Uw pensioenfonds is al overgestapt | U heeft mogelijk al een structurele verhoging gekregen. Controleer uw persoonlijke bericht van het fonds. |
Uw fonds stapt in 2027 over | Het uiteindelijke effect is nog niet zeker. U krijgt vooraf en na de overgang een persoonlijke berekening. |
U ontvangt toeslagen | Een hoger aanvullend pensioen kan uw zorgtoeslag of huurtoeslag verlagen. |
U heeft hoge woon-, energie- of zorgkosten | Prijsstijgingen kunnen een inkomensverbetering in het dagelijks leven deels of volledig opslokken. |
Hoger pensioen kan gevolgen hebben voor uw toeslagen
Een pensioenverhoging is prettig, maar het nettovoordeel kan kleiner zijn dan het bruto bedrag doet vermoeden. Uw totale inkomen bepaalt hoeveel belasting u betaalt en of u recht heeft op zorgtoeslag of huurtoeslag.
Stijgt uw aanvullende pensioen, dan kan een toeslag lager worden. Dat betekent niet automatisch dat u er onderaan de streep op achteruitgaat. Het is wel verstandig om uw geschatte jaarinkomen bij de Belastingdienst te controleren. Daarmee verkleint u de kans dat u later toeslag moet terugbetalen.
Kijk bij een pensioenverhoging daarom naar drie bedragen:
- de verhoging van uw bruto pensioen;
- het nieuwe nettobedrag dat u ontvangt;
- de mogelijke verandering van uw toeslagen.
Ontvangt u meerdere kleine pensioenen? Bekijk dan het totaal van al uw verwachte inkomsten. Via Mijnpensioenoverzicht.nl kunt u zien welke pensioenen u heeft opgebouwd en bij welke uitvoerders deze staan.
Op papier vooruit, bij de kassa toch minder ruimte
Officiële koopkrachtcijfers en de dagelijkse ervaring kunnen naast elkaar bestaan. Uit de AOW Koopkrachtmonitor 2026 bleek dat 85 procent van ruim 10.000 ondervraagde AOW’ers het gevoel heeft dat de koopkracht is gedaald. Slechts 2,1 procent ervoer een verbetering.
Vooral boodschappen, zorgkosten, vervoer, energie en gemeentelijke belastingen werden als sterk gestegen uitgaven genoemd. Dit zijn kosten die een groot deel van het maandbudget kunnen innemen. Wie relatief veel aan zulke posten uitgeeft, kan meer prijsdruk ervaren dan het gemiddelde inflatiecijfer laat zien.
Een gemiddelde koopkrachtplus van 0,5 procent kan bovendien nauwelijks opvallen. Een paar duurdere boodschappen, een hogere verzekeringspremie of een stijging van de huur kan het voordeel al wegnemen. Het CPB-cijfer is daarom waardevol voor het landelijke beeld, maar geen voorspelling van uw persoonlijke bankrekening.
Drie herkenbare situaties
1. Alleenstaande met alleen AOW
U ontvangt geen aanvullend pensioen en heeft een huurwoning. De hogere pensioenen bij pensioenfondsen hebben geen direct effect op uw inkomen. Voor uw koopkracht zijn vooral de nieuwe AOW-bedragen, huur, zorgpremie, energiekosten en toeslagen van belang. De gemiddelde plus voor gepensioneerden zegt in deze situatie weinig.
2. Echtpaar met AOW en een klein aanvullend pensioen
Eén van u ontvangt naast de AOW een bescheiden pensioen. Als dit pensioen stijgt, neemt het huishoudinkomen toe. Het voordeel kan beperkt blijven doordat het aanvullende pensioen maar een klein deel van het totale inkomen vormt. Controleer ook of de zorgtoeslag verandert.
3. Gepensioneerde bij een overgestapt pensioenfonds
Uw fonds heeft de pensioenuitkering bij de overgang verhoogd. Daardoor kan uw totale inkomen duidelijk stijgen. Uw persoonlijke koopkracht hangt vervolgens af van belasting, toeslagen en uw vaste lasten. De verhogingen verschillen sterk per pensioenfonds, dus vergelijk uw situatie niet zonder meer met die van een oud-collega of buur.
Wat kan Prinsjesdag nog veranderen?
De CPB-raming is opgesteld vóór de definitieve begrotingsplannen voor 2027. Op 15 september 2026 presenteert het kabinet de Miljoenennota, de Rijksbegroting en het Belastingplan.
Voor gepensioneerden zijn vooral deze onderdelen relevant:
- de tarieven en grenzen van de inkomstenbelasting;
- de hoogte van de algemene heffingskorting en ouderenkorting;
- wijzigingen in zorgtoeslag en huurtoeslag;
- de zorgpremie en het eigen risico;
- maatregelen voor energie, huur en gemeentelijke lasten;
- eventuele koopkrachtreparaties voor specifieke groepen.
Pas wanneer deze plannen zijn verwerkt in een nieuwe raming, ontstaat een completer beeld. Ook dan blijft het om gemiddelden gaan.
Dit kunt u zelf controleren
- Bekijk op Mijnpensioenoverzicht.nl uit welke onderdelen uw pensioeninkomen bestaat.
- Lees de meest recente brief of het persoonlijke overzicht van uw pensioenfonds.
- Controleer wanneer uw pensioenfonds naar het nieuwe stelsel gaat.
- Pas bij een inkomenswijziging uw geschatte inkomen voor toeslagen aan.
- Zet uw vaste lasten van 2026 naast de verwachte bedragen voor 2027.
- Bekijk na Prinsjesdag welke maatregelen voor uw situatie van belang zijn.
- Controleer eind december de definitieve AOW-bedragen vanaf januari 2027.
Op onze pagina met alle belangrijke informatie over de AOW vindt u actuele bedragen, betaaldagen en uitleg over belasting en toeslagen.
Tot slot
Dat gepensioneerden in 2027 gemiddeld 0,5 procent meer koopkracht krijgen, is voorzichtig positief nieuws. De winst is echter klein en de verschillen binnen de groep zijn groot. Vooral mensen met een verhoogd aanvullend pensioen kunnen vooruitgaan. Wie alleen AOW ontvangt, kan daar niet automatisch op rekenen.
Kijk daarom niet alleen naar het landelijke percentage. Uw eigen pensioenoverzicht, toeslagen en vaste lasten vertellen veel meer. Na Prinsjesdag wordt duidelijker welke invloed belastingen en overheidsmaatregelen op uw inkomen in 2027 hebben.