Nederlandse pensioenfondsen beleefden in 2025 een opvallend slecht beleggingsjaar. Terwijl het pensioenvermogen in vrijwel alle grote pensioenmarkten toenam, daalde het Nederlandse pensioenvermogen volgens internationale vergelijkingen met ongeveer 2,8 procent. Grote fondsen als ABP, PFZW en PME rapporteerden allemaal een negatief rendement.
Dat is extra opvallend omdat aandelenmarkten in 2025 overwegend goed presteerden. Waarom profiteerden Nederlandse pensioenfondsen daar dan zo weinig van? De belangrijkste verklaring ligt bij de grote hoeveelheid langlopende obligaties, de afdekking van het renterisico en de stijging van de lange rente. Ook de dalende Amerikaanse dollar speelde een rol.
Toch betekent de min niet automatisch dat uw pensioen minder veilig is. De financiële positie van veel pensioenfondsen verbeterde juist, omdat ook de waarde van hun toekomstige pensioenverplichtingen sterk daalde.
Nederland valt uit de toon
Het wereldwijde pensioenvermogen groeide in 2025 met 9,6 procent tot een recordbedrag van 68,3 biljoen dollar. De vergelijking omvat 22 grote pensioenmarkten. Nederland was volgens berichtgeving over deze cijfers het enige land waar het totale pensioenvermogen afnam.
Een belangrijke correctie is daarbij op zijn plaats. In verschillende nieuwsberichten wordt het cijfer toegeschreven aan de OESO en gesproken over 38 rijke landen. De internationale vergelijking over 2025 komt echter uit de Global Pension Assets Study 2026 van het Thinking Ahead Institute en WTW. Deze studie vergelijkt 22 grote pensioenmarkten.
Nederland behoort desondanks nog altijd tot de grootste pensioenlanden ter wereld. Het gaat dus niet om een klein of kwetsbaar pensioenstelsel, maar om een zeer groot stelsel met een beleggingsbeleid dat sterk afwijkt van dat in veel andere landen.
Hoe slecht waren de rendementen in 2025?
De drie grote pensioenfondsen ABP, PFZW en PME sloten 2025 allemaal af met een negatief beleggingsrendement.
Pensioenfonds | Beleggingsrendement 2025 | Ontwikkeling financiële positie |
|---|---|---|
ABP | -1,6 procent | Dekkingsgraad steeg van 111,9 naar 123,5 procent |
PFZW | -3,9 procent | Dekkingsgraad steeg van 109,8 naar 125,7 procent |
PME | -3,0 procent | Dekkingsgraad steeg van 113,1 naar 125,3 procent |
De cijfers laten meteen de bijzondere situatie zien. De beleggingen verloren waarde, maar de dekkingsgraden stegen fors. Dat lijkt tegenstrijdig, maar is goed te verklaren door de rente.
Waarom presteerden Nederlandse pensioenfondsen zo slecht?
1. De stijgende rente drukte de waarde van obligaties
Nederlandse pensioenfondsen beleggen relatief veel in obligaties. Dit zijn leningen aan overheden en bedrijven waarvoor het fonds rente ontvangt. Vooral langlopende obligaties spelen een belangrijke rol, omdat pensioenfondsen tientallen jaren vooruit moeten plannen.
Wanneer de marktrente stijgt, worden bestaande obligaties met een lagere rente minder aantrekkelijk. Hun marktwaarde daalt dan. Hoe langer de resterende looptijd, hoe sterker de koers meestal reageert op een renteverandering.
Juist de lange rente liep in 2025 op. Daardoor ontstonden verliezen op de langlopende obligaties in de portefeuilles. In landen waar pensioenfondsen een groter deel van hun vermogen in aandelen hadden belegd, werkte het anders. Zij profiteerden sterker van de stijgende aandelenkoersen.
2. Renteafdekking werkte in 2025 de verkeerde kant op
Pensioenfondsen proberen zich te beschermen tegen een dalende rente. Bij een lagere rente wordt het duurder om alle toekomstige pensioenen te kunnen betalen. De berekende waarde van die toekomstige verplichtingen stijgt dan.
Om dat risico te beperken gebruiken fondsen langlopende obligaties en financiële contracten, waaronder renteswaps. Deze renteafdekking werkt als een verzekering. Als de rente daalt, stijgt de waarde van de afdekking en wordt een deel van de hogere pensioenverplichting opgevangen.
In 2025 gebeurde het tegenovergestelde. De lange rente steeg. De waarde van de renteafdekking daalde daardoor en drukte het beleggingsresultaat. Een maatregel die bescherming moest bieden tegen een rentedaling leverde dus verlies op toen de rente juist omhoogging.
Dat betekent niet automatisch dat de afdekking zinloos was. Tegelijk met het verlies op de beleggingen daalde namelijk ook de berekende waarde van de toekomstige pensioenen. Voor de financiële gezondheid van een pensioenfonds moeten beide kanten van de balans worden bekeken.
3. Nederland heeft veel meer vaste pensioenverplichtingen
Het Nederlandse pensioenstelsel verschilde in 2025 nog sterk van stelsels in landen als de Verenigde Staten en Australië. Ongeveer 93 procent van het Nederlandse pensioenvermogen viel nog onder uitkeringsregelingen waarbij fondsen rekening hielden met vooraf toegezegde pensioenen.
Bij zulke regelingen ligt veel nadruk op het beheersen van renterisico. Dat leidt doorgaans tot een grotere positie in obligaties en renteafdekking. In landen met veel premieregelingen staat het persoonlijke of collectieve beleggingsvermogen centraler. Daar wordt gemiddeld meer in aandelen belegd.
In een jaar waarin aandelen sterk stijgen en langlopende obligaties dalen, pakt dat verschil ongunstig uit voor Nederland. De internationale ranglijst zegt daardoor niet alleen iets over de kwaliteit van de beleggers, maar ook over de inrichting van de pensioenstelsels.
4. De zwakkere dollar kostte rendement
Nederlandse pensioenfondsen beleggen veel buiten Europa, vooral in de Verenigde Staten. In 2025 werd de Amerikaanse dollar minder waard ten opzichte van de euro. Amerikaanse aandelen konden in dollars stijgen, terwijl een deel van die winst na omrekening naar euro’s weer verdween.
Pensioenfondsen dekken een deel van dit valutarisico af, maar niet altijd volledig. ABP noemde de daling van de dollar naast de gestegen rente als een belangrijke oorzaak van het negatieve jaarresultaat.
5. Fondsen verkochten aandelen en kochten obligaties bij
Pensioenfondsen werken met vaste bandbreedtes voor hun beleggingsmix. Als aandelen sterk stijgen en obligaties dalen, wordt het aandeel van aandelen in de portefeuille vanzelf groter. Om het afgesproken risiconiveau te herstellen, moeten fondsen dan aandelen verkopen en obligaties bijkopen.
Nederlandse pensioenfondsen verkochten in 2025 per saldo voor ongeveer 36 miljard euro aan wereldwijde aandelen. Tegelijk kochten zij onder meer Europees schuldpapier. Dit was deels een normale herbalancering van de portefeuille.
Zo’n aanpak voorkomt dat het risico ongemerkt steeds groter wordt. Het nadeel is dat een fonds minder volledig profiteert als aandelen vervolgens verder stijgen. Rond de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel hadden veel fondsen bovendien een extra reden om grote schommelingen te beperken. Een stabiele financiële uitgangspositie was belangrijk voor de verdeling van het gezamenlijke vermogen.
Was de renteafdekking dan een verkeerde keuze?
Daarover bestaat discussie. Critici vinden dat pensioenfondsen als langetermijnbeleggers meer risico hadden kunnen nemen en te veel rendement hebben opgeofferd aan bescherming tegen renteveranderingen. Vooral extra aanpassingen voorafgaand aan de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel kunnen achteraf kostbaar lijken.
Toch is het te eenvoudig om de renteafdekking alleen op het verlies in 2025 af te rekenen. De afdekking is niet bedoeld om ieder jaar het hoogste rendement te behalen. Het doel is te voorkomen dat de financiële positie bij een sterke rentedaling hard verslechtert.
De echte discussie gaat daarom over de mate van afdekking. Hoeveel zekerheid is nodig, hoeveel rendement wordt daarvoor opgegeven en paste die verhouding bij de lange beleggingshorizon van het fonds? Dat zijn terechte vragen, zeker nu deelnemers in het nieuwe pensioenstelsel duidelijker merken hoe beleggingen hun pensioen beïnvloeden.
Een lager vermogen betekent niet dat uw pensioen direct daalt
Het totale pensioenvermogen is slechts één kant van het verhaal. Aan de andere kant staan alle pensioenen die nu en in de toekomst moeten worden betaald. Door de hogere rente daalde de berekende waarde van die verplichtingen in 2025 sterker dan de waarde van de beleggingen.
De gemiddelde dekkingsgraad van de pensioenfondsen die nog niet waren overgestapt naar het nieuwe stelsel kwam eind 2025 uit op 129,1 procent. Een jaar eerder was dat 116,2 procent. Ondanks de slechte beleggingsrendementen stonden de fondsen er volgens deze maatstaf dus juist beter voor.
Dat gaf sommige fondsen ruimte om de pensioenen te verhogen. ABP verhoogde de pensioenen per 1 januari 2026 bijvoorbeeld met 2,84 procent. PME kon de pensioenen verhogen in lijn met de prijsontwikkeling.
Vermogensgroei is niet hetzelfde als beleggingsrendement
Ook bij de vergelijking tussen landen is voorzichtigheid nodig. De verandering van het totale pensioenvermogen hangt niet alleen af van winst of verlies op beleggingen. Ook nieuwe premies, pensioenuitkeringen, verhuizingen van vermogen, wisselkoersen en verschillen in de opzet van pensioenstelsels tellen mee.
Een land met veel jonge deelnemers en hoge nieuwe inleg kan het totale vermogen zien groeien, zelfs als het beleggingsrendement tegenvalt. Een ouder pensioenstelsel met relatief veel uitkeringen kan minder hard groeien.
De min van 2,8 procent is daarom een duidelijk waarschuwingssignaal, maar geen volledig rapportcijfer voor de kwaliteit of veiligheid van het Nederlandse pensioenstelsel.
Wat betekent dit voor u?
Een landelijk negatief rendement zegt niet precies wat er met uw eigen pensioen gebeurt. Elk fonds heeft een andere beleggingsmix, renteafdekking, deelnemerssamenstelling en planning voor de overgang naar de nieuwe regels.
Kijk daarom vooral naar de informatie van uw eigen pensioenfonds. Let daarbij op het behaalde rendement, de financiële positie, een eventuele verhoging van uw pensioen en de gevolgen van de overgang naar de nieuwe pensioenregeling. Alleen het totale vermogen vertelt onvoldoende.
Tot slot
Nederlandse pensioenfondsen presteerden in 2025 slecht op hun beleggingen doordat meerdere nadelige factoren samenkwamen. De lange rente steeg, langlopende obligaties verloren waarde, renteafdekking leverde verlies op en de dollar werd zwakker. Door de relatief grote obligatiepositie profiteerden Nederlandse fondsen bovendien minder van de goede aandelenmarkten dan fondsen in veel andere landen.
Toch stond het Nederlandse pensioenstelsel er eind 2025 niet ineens slechter voor. De waarde van de toekomstige verplichtingen daalde nog sterker dan het belegde vermogen. De opvallende min verdient daarom een kritische blik op het beleggingsbeleid, maar is op zichzelf geen reden om te vrezen dat uw pensioen niet kan worden betaald.