Valrisico bij 90-plussers: Amerikaans onderzoek kijkt verder dan leeftijd

Wie 90 jaar of ouder is, heeft niet automatisch een hoog valrisico. Nieuw Amerikaans onderzoek onder 1.099 mensen van 90 tot 103 jaar laat zien dat er binnen deze leeftijdsgroep grote verschillen bestaan. Vooral de combinatie van langzamer lopen en cognitieve problemen kan wijzen op een verhoogde kans op vallen.

De studie werd uitgevoerd binnen de Amerikaanse 90+ Study en is grotendeels gebaseerd op deelnemers uit Californië. De uitkomsten zijn daarom niet rechtstreeks te vertalen naar Nederlandse ouderen. Toch geeft het onderzoek een interessante boodschap mee: kijk niet alleen naar iemands leeftijd, maar naar het totale functioneren.

Dat is belangrijk, want te veel voorzichtigheid kan ook nadelen hebben. Minder lopen en bewegen kan ten koste gaan van spierkracht, balans, vertrouwen en zelfstandigheid.

Valpreventie 90 jarige die loopt door woonkamer

Waarom leeftijd alleen weinig zegt over het persoonlijke valrisico

Bij het beoordelen van valrisico wordt vaak gekeken naar lopen, balans en spierkracht. Veel van de gebruikte tests en grenswaarden zijn echter ontwikkeld met jongere ouderen.

Bij mensen boven de 90 ontstaat daardoor een probleem. Zij lopen gemiddeld langzamer dan bijvoorbeeld mensen van 65 of 70 jaar. Worden dezelfde grenswaarden gebruikt, dan kan vrijwel iedere 90-plusser in een risicogroep terechtkomen.

De Amerikaanse onderzoekers wijzen erop dat daardoor het verschil kleiner wordt tussen mensen die daadwerkelijk extra aandacht nodig hebben en mensen die op zeer hoge leeftijd nog stabiel functioneren.

Een te algemeen label als ‘hoog valrisico’ is bovendien niet altijd zonder gevolgen. Vooral in een ziekenhuis of zorgomgeving kan het ertoe leiden dat iemand uit voorzorg minder zelfstandig mag lopen. Terwijl juist blijven bewegen belangrijk is om conditie, spierkracht en dagelijks functioneren te behouden.

De onderzoekers wilden daarom weten of loopsnelheid, cognitief functioneren en de combinatie daarvan meer inzicht kunnen geven in de verschillen tussen 90-plussers.

Amerikaans onderzoek onder 1.099 90-plussers

Het onderzoek verscheen op 14 september 2026 in het wetenschappelijke tijdschrift GeroScience. De onderzoekers zijn onder meer verbonden aan de University of California, Irvine.

Aan de studie deden 1.099 mensen van 90 tot 103 jaar mee. De gemiddelde leeftijd was 93,2 jaar. De deelnemers werden gemiddeld vier jaar gevolgd en ongeveer iedere zes maanden onderzocht.

De onderzoekspopulatie kwam uit de Amerikaanse 90+ Study. Die studie is oorspronkelijk ontstaan vanuit een groot onderzoek onder bewoners van een woonomgeving voor ouderen in Orange County, Californië.

Bij aanvang van het onderzoek:

  • woonde 86,7% zelfstandig of in een niet-institutionele woonomgeving;
  • had 43,4% in het voorafgaande jaar minstens één val gemeld;
  • was de gemiddelde leeftijd 93,2 jaar;
  • liep 40,8% zonder wandelstok of rollator.

De onderzoekers maten vervolgens onder andere hoe snel iemand vier meter liep. Daarnaast werd via uitgebreid neurologisch en cognitief onderzoek beoordeeld of er sprake was van cognitieve beperkingen of dementie.

Langzaam lopen én cognitieve problemen geven samen extra informatie

De deelnemers werden verdeeld in vier groepen:

  1. geen relatief langzaam looptempo en geen cognitieve beperkingen;
  2. alleen relatief langzaam lopen;
  3. alleen cognitieve beperkingen;
  4. zowel relatief langzaam lopen als cognitieve beperkingen.

Na correctie voor onder meer leeftijd en opleidingsniveau vonden de onderzoekers bij de totale groep duidelijke verschillen.

Bij deelnemers die relatief langzaam liepen lag de valincidentie ongeveer 45% hoger. Bij alleen cognitieve beperkingen was dat ongeveer 26% hoger. Bij de combinatie van langzaam lopen en cognitieve beperkingen lag de valincidentie ongeveer 60% hoger dan bij deelnemers zonder beide kenmerken.

Dat betekent niet dat deze kenmerken een val veroorzaken. Het onderzoek laat een samenhang zien. Wel lijkt de combinatie nuttige aanvullende informatie te geven bij het inschatten van het valrisico binnen deze zeer oude leeftijdsgroep.

Ook zonder rollator kan er een verhoogd risico zijn

Een opvallende bevinding kwam naar voren bij de deelnemers die nog zonder wandelstok of rollator liepen.

Binnen deze groep was de combinatie van relatief langzaam lopen en cognitieve beperkingen geassocieerd met ruim twee keer zoveel valincidenten als bij deelnemers zonder beide kenmerken.

Dat is praktisch interessant. Iemand kan lichamelijk nog behoorlijk mobiel ogen en zelfstandig lopen, terwijl veranderingen in aandacht, oriëntatie of het inschatten van situaties ondertussen invloed kunnen hebben op de veiligheid.

Alleen kijken naar het gebruik van een rollator of wandelstok is daarom niet voldoende om een persoonlijk valrisico in te schatten.

Let bijvoorbeeld ook op veranderingen zoals moeite met meerdere dingen tegelijk doen, onzeker worden tijdens het lopen of problemen met het veilig uitvoeren van dagelijkse handelingen.

Het onderzoek vond verschillen tussen mannen en vrouwen

De resultaten waren niet voor iedereen hetzelfde.

Bij mannen waren zowel relatief langzaam lopen, cognitieve beperkingen als de combinatie daarvan geassocieerd met meer toekomstige valincidenten. Bij vrouwen werd een duidelijke samenhang gevonden voor langzaam lopen en voor de combinatie van langzaam lopen en cognitieve problemen. Cognitieve beperkingen alleen waren bij vrouwen in de hoofdanalyse niet duidelijk geassocieerd met meer vallen.

De onderzoekers waarschuwen ervoor om hier nog geen afzonderlijke adviezen voor mannen en vrouwen aan te verbinden. Daarvoor is meer onderzoek nodig.

Het verschil onderstreept vooral hoe ingewikkeld valrisico is. Eén enkele test of eigenschap vertelt nooit het volledige verhaal.
 

De gemeten loopsnelheden zijn geen medische grenswaarden

De onderzoekers gebruikten bij vrouwen een snelheid van 0,56 meter per seconde en bij mannen 0,69 meter per seconde om binnen hun eigen onderzoeksgroep onderscheid te maken tussen relatief snellere en langzamere deelnemers.

Deze waarden zijn nadrukkelijk geen medische afkapwaarden waarmee u thuis kunt bepalen of iemand een hoog valrisico heeft.

Sterker nog: de onderzoekers kozen bewust niet voor een veelgebruikte grens van 1 meter per seconde. Met die grens zou 93% van de deelnemers als ‘langzaam’ zijn aangemerkt en zou de test nauwelijks meer onderscheid maken tussen mensen binnen deze leeftijdsgroep.

Een viermeterlooptest op zichzelf vertelt bovendien niet waarom iemand langzamer loopt. Pijn, vermoeidheid, slecht zicht, medicatie, een recente ziekte, spierkracht of de ondergrond waarop iemand loopt kunnen allemaal invloed hebben.

Ook cognitieve problemen kunnen niet op basis van één observatie worden vastgesteld.

Altijd iemand dichtbij, wat er ook gebeurt. Dat belooft Nederlandse Senioren Alarmering — en Hans Kazan onderschrijft het. Valdetectie, GPS en 24/7 meldkamer. Bestel vandaag, morgen al in huis.

Wat betekent het Amerikaanse onderzoek voor Nederland?

De onderzoeksresultaten kunnen niet één-op-één worden toegepast op Nederlandse 90-plussers.

Vrijwel alle deelnemers aan het Amerikaanse onderzoek waren wit en de onderzoeksgroep was relatief hoogopgeleid. Daarnaast waren kwetsbaardere deelnemers minder vaak in staat de looptest uit te voeren. Dat kan invloed hebben gehad op de resultaten.

Toch past de belangrijkste gedachte goed bij de manier waarop valrisico in Nederland wordt beoordeeld: kijk naar meerdere factoren en niet naar leeftijd alleen.

De Valrisicotest van VeiligheidNL kijkt bijvoorbeeld naar valgeschiedenis, angst om te vallen en mobiliteitsproblemen. Wanneer dat nodig is, wordt ook een viermeterlooptest gebruikt. Daarmee wordt onderscheid gemaakt tussen een laag, misschien matig en hoog valrisico.

Bij een hoog valrisico kan vervolgens uitgebreider worden gekeken naar mogelijke oorzaken en beïnvloedbare risicofactoren.

Denk daarbij aan medicatie, duizeligheid, zicht, spierkracht, balans, schoeisel en omstandigheden in en rond de woning.

Cognitieve veranderingen verdienen daarbij aandacht

Ook in Nederland is er steeds meer aandacht voor de relatie tussen cognitief functioneren en vallen.

Mensen met dementie of andere cognitieve stoornissen hebben volgens VeiligheidNL meer dan twee keer zoveel kans om te vallen als leeftijdsgenoten zonder deze problemen. Persoonlijke begeleiding en maatwerk zijn daarom belangrijk.

Cognitieve veranderingen kunnen bijvoorbeeld invloed hebben op aandacht, planning en het herkennen van gevaar.

In de praktijk kan dat zichtbaar worden wanneer iemand:

  • vergeet de rem van de rollator te gebruiken;
  • gehaast of onverwacht opstaat;
  • moeite heeft met lopen en tegelijkertijd praten;
  • vaker gedesoriënteerd raakt;
  • een wandelstok of rollator niet meer goed gebruikt;
  • situaties minder goed lijkt in te schatten.

Eén zo'n gebeurtenis betekent niet direct dat iemand cognitieve problemen heeft of zal vallen. Wanneer veranderingen vaker voorkomen of invloed krijgen op het dagelijks functioneren, is het verstandig dit te bespreken met bijvoorbeeld de huisarts.

Let niet pas op nadat iemand is gevallen

Valpreventie begint bij voorkeur vóór de eerste ernstige val.

Veranderingen in bewegen zijn soms geleidelijk zichtbaar. Iemand loopt wat langzamer, pakt steeds vaker de tafel of kast vast, vermijdt de trap of gaat minder vaak alleen naar buiten.

Ook angst om te vallen is een belangrijk signaal. Die angst kan ertoe leiden dat iemand steeds minder gaat bewegen. Daarmee kunnen spierkracht en balans juist verder afnemen.

Let daarom bijvoorbeeld op:

  • duidelijk langzamer of voorzichtiger lopen;
  • regelmatig struikelen of bijna vallen;
  • vaker steun zoeken aan meubels;
  • moeite met opstaan uit een stoel;
  • onzekerheid op de trap of buitenshuis;
  • problemen met een wandelstok of rollator;
  • duizeligheid;
  • veranderingen in aandacht of oriëntatie;
  • steeds minder bewegen uit angst voor een val.

Bij meerdere signalen kan het verstandig zijn het valrisico verder te laten beoordelen.

Valpreventie betekent juist blijven bewegen

Een belangrijk punt uit het Amerikaanse onderzoek is dat voorzichtigheid niet mag omslaan in onnodige beperking.

Het doel van valpreventie is niet om zo min mogelijk te lopen. Het doel is om zo veilig mogelijk te blijven bewegen.

Afhankelijk van de persoonlijke situatie kan dat bijvoorbeeld betekenen dat iemand aan kracht en balans werkt, medicatie laat controleren, het zicht laat onderzoeken of leert een wandelstok of rollator goed te gebruiken.

Ook de woning kan verschil maken. Goede verlichting, voldoende loopruimte, stevige trapleuningen en het verwijderen of vastzetten van struikelgevaar maken dagelijkse beweging makkelijker en veiliger.

Wie prettig en veilig kan blijven bewegen, behoudt daarmee niet alleen lichamelijke conditie maar ook meer vrijheid in het dagelijks leven.

Wat bewijst het onderzoek niet?

De Amerikaanse studie was een observationeel onderzoek. Dat betekent dat onderzoekers deelnemers gedurende langere tijd hebben gevolgd en verbanden hebben onderzocht.

Daarmee kan niet worden aangetoond dat langzaam lopen of cognitieve achteruitgang zelf de oorzaak van een val is.

Ook werden valpartijen iedere zes maanden achteraf door deelnemers of hun naasten doorgegeven. Het is mogelijk dat sommige vallen zijn vergeten.

Daarnaast bestond 98,6% van de onderzoeksgroep uit witte deelnemers en had ruim driekwart enige universitaire of hogere opleiding gevolgd. De groep is daarmee niet zonder meer representatief voor alle ouderen in de Verenigde Staten en zeker niet voor alle Nederlandse 90-plussers.

Verder konden kwetsbaardere deelnemers de viermeterlooptest relatief vaak niet uitvoeren. Ook dat kan de onderzoeksresultaten hebben beïnvloed.

Tot slot

Een hoge leeftijd alleen zegt niet genoeg over iemands persoonlijke kans om te vallen.

Het nieuwe Amerikaanse onderzoek laat zien dat verschillen in loopsnelheid en cognitief functioneren kunnen helpen om binnen de groep 90-plussers beter onderscheid te maken. Vooral wanneer beide veranderen, kan dat reden zijn om het valrisico verder te bekijken.

Maar minstens zo belangrijk is de andere kant van het verhaal: iemand van 90 jaar of ouder hoeft niet automatisch beperkt te worden uit angst voor een val.

Goede valpreventie zoekt naar de juiste balans tussen veiligheid en blijven bewegen. Zo blijven dagelijkse activiteiten, vertrouwen en zelfstandigheid zo veel mogelijk behouden.

Veelgestelde vragen

Nee. De kans op vallen neemt gemiddeld toe met de leeftijd, maar er bestaan grote verschillen tussen mensen van dezelfde leeftijd. Eerdere vallen, mobiliteit, spierkracht, balans, medicatie, zicht, cognitief functioneren en de woonomgeving kunnen allemaal een rol spelen.

Een viermeterlooptest is eenvoudig uit te voeren, maar de uitkomst moet in de juiste context worden beoordeeld. De snelheden uit het Amerikaanse onderzoek zijn geen medische grenswaarden waarmee u thuis een diagnose kunt stellen.

Nee. Iemand kan om allerlei redenen langzamer lopen, bijvoorbeeld door pijn, vermoeidheid, een recente ziekte of voorzichtigheid. Het is vooral belangrijk om te letten op veranderingen en andere risicofactoren.

Dat kan. Problemen met aandacht, oriëntatie, planning en het herkennen van risico's kunnen het risico vergroten. Volgens VeiligheidNL vallen ouderen met dementie of cognitieve stoornissen vaker dan leeftijdsgenoten zonder deze problemen.

Bespreek veranderingen in lopen, balans, duizeligheid, medicatie of cognitief functioneren met uw huisarts of een andere betrokken zorgprofessional. Daarnaast kunnen kracht- en balansoefeningen en aanpassingen in de woning helpen om veilig te blijven bewegen.

Over dit artikel

Geschreven door

Redactie LangerThuisinHuis.nl

Laatst gewijzigd op

LangerThuisinHuis.nl helpt ouderen en hun naasten met betrouwbare informatie, praktische tips en onafhankelijke uitleg over zelfstandig en veilig thuis wonen. We schrijven over woningaanpassingen, hulpmiddelen, zorg, geldzaken en prettig ouder worden thuis.

Inhoudelijk gecontroleerd door

Redactie LangerThuisinHuis.nl

Dit artikel is redactioneel gecontroleerd op duidelijkheid, actualiteit en praktische toepasbaarheid, met gebruik van erkende Nederlandse bronnen.